Flora en Nawar

Ingediend door Bruno Lowagie op ma, 02/03/2020 - 17:14

Twee meisjes aan een tafel, waarvan eentje met hoofddoek en een ander zonder. Gebruikt voor het verhaal Flora en Nawar.
                                                                              
Photo by mentatdgt from Pexels

Dit verhaal werd geschreven voor de wedstrijd "Dansende olifanten op het ijs" van Godijn Publishing, waarbij gevraagd werd een verhaal te schrijven met als thema "Het onmogelijke waarmaken". Het werd helaas niet goed genoeg bevonden voor een plaatsje op de long-list. Het werd bijgevolg ook niet gepubliceerd.

Flora en Nawar

Donderdag

‘Hé Flora,’ roept Nawar, ‘Ga je straks nog iets doen voor je verjaardag?’
Flora houdt even haar pas in tot haar vriendin haar is bijgebeend.
‘Nee, ik heb niets speciaals gepland en ik verwacht ook geen verrassingen,’ antwoordt Flora. ‘Mijn moeder zal vanavond waarschijnlijk mijn lievelingseten klaarmaken en dat wordt het dan. Ik heb dit jaar geen cadeautjes gevraagd, enkel wat geld.’
‘Maar je wordt toch zestien?’ zegt Nawar. ‘Is dat geen feestje waard?’
‘Het belangrijkste aan zestien worden is dat het me weer wat dichter brengt bij achttien worden,’ zegt Flora. ‘Dan ben ik meerderjarig en mag ik doen wat ik wil.’
‘Wat wil je dan wel doen?’ vraagt Nawar.
‘Ik wil hier zo vlug mogelijk weg,’ antwoordt Flora. ‘Binnen twee jaar kan het.’
‘Waar wil je wel naartoe gaan?’
‘Eender waar, als het maar ver genoeg hiervandaan is.’
‘Maar daar heb je geld voor nodig,’ zegt Nawar. ‘Veel geld!’
‘Ik zal er ook veel nodig hebben als ik hier blijf,’ zegt Flora. ‘Als ik dan toch hard moet werken, dan doe ik dat liever op een plaats waar ik graag woon.’
‘Ben je hier niet graag?’ vraagt Nawar verbaasd. ‘Ik kan me niet inbeelden dat ik zou moeten verhuizen. Mijn hele familie leeft al vier generaties lang in deze buurt.’
‘Denk je familie hier graag woont?’ vraagt Flora.
‘Ik weet het niet,’ zegt Nawar. ‘Ik stond nog nooit stil bij die vraag. Ik denk van wel.’
‘Ik heb er zelf al veel over nagedacht. Als er één ding is dat ik zeker weet,’ zegt Flora, ‘dan is het wel dat ik hier weg ben zodra ik kan.’
‘Jij durft.’
‘Je overgrootouders hebben het toch ook gedurfd?’
‘Maar dat was anders,’ zegt Nawar, ‘Dat waren andere tijden.’
‘Wat is het ergste dat kan gebeuren?’ vraagt Flora.
Nawar is even stil, maar wat ze uiteindelijk antwoordt, komt uit het diepste van haar ziel: ‘Ik ben bezorgd om de mooie dingen die voorbijgaan.’
Flora kijkt haar vriendin onderzoekend aan en zegt met een tikkeltje spot in haar stem: ‘Nou, ik ben bezorgd om de lelijke dingen die blijven duren.’
‘Ik vind het niet fijn dat je daar een grapje van maakt.’
‘Maak ik een grapje?’ vraagt Flora. ‘Kijk om je heen. Overal waar je kijkt is er lelijkheid. Overal vuilnis: op de straat, op de stoep, op de pleintjes. De ratten hebben hier een beter leven dan wij.’
Nu kijkt ook Nawar om zich heen. Ze legt haar hand op een muur en zegt: ‘Rot beton waar de roest van het stalen geraamte doorheen komt.’
Flora wijst naar een gevel wat verderop: ‘Aftakelende gebouwen waarvan de stenen, als je even niet oplet, voor je neus naar beneden donderen.’
Nawar knijpt haar neus dicht: ‘Urinegeur die je overvalt bij elke nis die je voorbijloopt.’
De meisjes maken een inventaris op van de vergane glorie van de buurt waarin ze wonen. Het is het soort wijk dat je aan de rand van elke grootstad vindt.
‘Hé meisjes!’ klinkt het plots vanaf de overkant van de straat. Daar troept een groepje jongens samen. Flora en Nawar herkennen er de meeste van en gaan wat sneller stappen.
‘Hebben jullie zin om eens lekker verwend te worden?’ vraagt de stoerste van de bende. Hij houdt zijn hand voor zijn mond en likt met zijn tong tussen zijn wijs- en zijn middelvinger. Zonder hem een blik waardig te gunnen, beantwoordt Flora zijn voorstel met een opgestoken middelvinger.
‘Vuile slet!’ roept de jongen nu, ‘Keer terug naar het land waar jullie vandaan komen, stelletje hoeren!’
Nawar kijkt angstig achterom, maar Flora stelt haar gerust: ‘Niet kijken, Nawar. Ze komen ons niet achterna, daar zijn die bleekscheten te laf voor.’
‘Ik zal zo’n jongens nooit snappen,’ zegt Nawar, ‘Eerst gooien ze ons obsceniteiten toe, en als we daar niet op ingaan, zijn wij de slet.’
‘Zoek er maar geen logica achter,’ zegt Flora.
‘En dan die opmerking dat we terug moeten keren naar waar we vandaan komen,’ gaat Nawar verder. ‘Ik ben hier geboren. Mijn moeder is hier geboren. Mijn grootmoeder is hier met haar ouders naartoe gekomen. Ik heb geen ander land om naar terug te gaan.’
‘Jij hebt hier diepere wortels dan ik. Ik ben met mijn ouders naar dit land meegekomen toen ik drie jaar oud was,’ zegt Flora. ‘Toch voel ik me niet aangesproken door dat stelletje pummels. Zoals ik al zei: zoek maar geen logica achter wat ze zeggen. Die is er immers niet.’

Vrijdag

'En?’ vraagt Nawar, ‘Hoe was je verjaardag gisteren?'
'Zoals ik voorspelde,’ antwoordt Flora. ‘Mijn lievelingsmenu en wat geld.'
'Ga je er iets leuks mee kopen?'
'Ik weet al exact wat ik met die centjes ga doen.'
'O ja?' zegt Nawar, 'Vertel! Worden het kleren? Een nieuwe tas?'
'Het geeft geen zin om ernaar te gissen,’ zegt Flora, ‘Je raadt het nooit.’
Nawar zet een pruilmondje op: ‘Wil je het me niet zeggen?’
‘Jawel, hoor,’ zegt Flora, ‘Maar het is gemakkelijker als ik het je toon.’
Ze haalt een map boven. "Muurbloemen" leest Nawar op het voorblad.
'Ik ga de buurt mooier maken,' zegt Flora.
Ze toont haar vriendin een aantal foto’s en schetsen die ze in de map verzamelde.
'Dit is de bushalte aan blok D waar we een blinde muur hebben van drie meter hoog en vijf meter breed,’ zegt ze. ‘Daarvoor heb ik dit ontwerp gemaakt.'
Flora wijst naar een tekening van een kleurig bloemenveld in een zee van groen onder een blauwe hemel.
'Ik snap het niet,' zegt Nawar. 'Wat is precies de bedoeling?'
'Ik koop een serie spuitbussen met verschillende kleuren en ik ga dit ontwerp aanbrengen op die muur.'
'Ga je graffiti spuiten?' zegt Nawar. 'Mag dat wel?'
'Waarschijnlijk niet, maar wie zal ons tegenhouden?'
'De politie?'
'De politie komt hier niet zo vaak, en als ze komen is het altijd op welbepaalde tijdstippen. Ik heb een schema gemaakt dat aangeeft waar ik wanneer aan de slag kan zonder dat ik me zorgen hoef te maken.'
‘Wat als je toch betrapt wordt?'
'Dan zorg ik ervoor dat ik vlugger ben dan de politie. Als ik desondanks gevat wordt, speel ik het onschuldige meisje. In uiterste nood kan ik altijd pleiten dat de buurt er mooier op wordt, niet lelijker. Ik ga sowieso eerst poetsen.’
Flora toont een volgende schets: ‘Deze locatie moet ook dringend onder handen genomen worden. Hier ga ik beginnen.’
'Jakkes,' zegt Nawar, 'Dat is momenteel een openbaar stort.'
'Precies,' zegt Flora, 'Iedereen klaagt erover, maar niemand doet er iets aan. Voor dat stukje muur heb ik dit ontwerp gemaakt.'
Flora toont een tekening met een hart van bloemen.
'Maar dat is prachtig!' zegt Nawar.
Nawar bladert door Flora’s documentatie; ze herkent verschillende plaatsen in de buurt. Voor elk hoekje en kantje heeft Flora een uniek bloementafereel ontworpen.
'Mag ik meehelpen?' vraagt Nawar.
'Ik hoopte al dat je dat zou vragen,' lacht Flora. 'Vanavond ga ik verf kopen. Morgen begin ik na het middageten aan de garage van blok C. Breng een borstel, een emmer en ander poetsgerief mee. Ik zorg voor de rest.'

Zaterdag

Die ochtend vullen Flora en Nawar een vijftal vuilniszakken met afval. Ze brengen die naar de containers van het dichtstbijzijnde appartementsblok. Toevallige voorbijgangers en bewoners kijken nieuwsgierig en goedkeurend toe, maar steken zelf geen vinger uit om hen te helpen. Vervolgens schrobben de meisjes het voetpad voor de muur die ze onder handen willen nemen. Wanneer ze daarmee klaar zijn, holt Flora heen en terug naar huis om een rol schildersplakband en een aantal grote stukken karton.
‘Dit zijn mijn mallen,’ zegt Flora, ‘Die maken het ons gemakkelijker om het ontwerp op de muur te zetten. Ik heb er al wat mee geëxperimenteerd op het dak van ons appartementsblok.’
De omstaanders zetten nog grotere ogen op wanneer Flora en Nawar een boeket bloemen in de vorm van een hart op de muur toveren. Opnieuw laten ze de meisjes begaan.
‘Dit is dolle pret,’ zegt Nawar wanneer ze klaar zijn met hun eerste kunstwerk. ‘Morgen weer?’
‘Morgen weer!’ zegt Flora.
Terwijl ze hun spullen bijeenrapen, krijgen de meisjes het ene verzoekje na het andere van buurtgenoten om samen een selfie te nemen. Ze krijgen zowaar een applaus wanneer ze naar huis vertrekken.
‘Waar spreken we morgen af?’ vraagt Nawar als ze in de hal van hun appartementsblok voor de lift staan te wachten.
‘Jullie spreken nergens af!’ zegt een stem die vanuit de onverlichte traphal komt.
‘Is dat je broer?’ vraagt Flora.
‘Ja, dat is haar broer,’ zegt een andere stem.
Vijf jongens komen vanuit het donker tevoorschijn. Ze hebben de meisjes opgewacht.
‘Wat heeft dit te betekenen?’ vraagt Nawars broer.
Hij toont een foto op zijn telefoon. Het is een selfie met Flora, Nawar en de muurschildering die door een buur op Facebook is gezet.
‘Dat is Flora’s project, Driss,’ zegt Nawar.
‘Flora is een vuile kech,’ zegt Driss. ‘Ze draagt niet eens een hoofddoek. Ik wil niet dat je nog met haar omgaat.’
‘Nawar gaat om met wie ze wil,’ verdedigt Flora haar vriendin.
‘Nawar heeft daar niets over te zeggen,’ zegt Driss, ‘en jij nog minder!’
‘Nawar is je zus,’ zegt Flora. ‘Toon een beetje respect voor haar.’
‘Respect?’ lacht Driss. ‘Jij bent degene die niet weet wat respect is!’
‘Driss, laat haar,’ probeert Nawar. ‘Flora is mijn beste vriendin.’
‘Wij zijn Moslims, Nawar,’ legt Driss zijn zus het zwijgen op. ‘Hoe kan een kech die ons geloof niet respecteert een vriendin van je zijn?’
‘Wat is dat nu voor onzin?’ zegt Flora. ‘Het is niet omdat ik geen Moslim ben, dat ik Nawar en haar geloof niet respecteer.’
‘Zie je wel,’ zegt Driss. ‘Ze noemt het onzin. Hoe kan je met zo iemand omgaan?’
‘Maar dat is helemaal niet wat ze zegt,’ werpt Nawar op.
‘Ze is een ongelovige,’ zegt Driss. ‘Wij Moslims gaan niet met kafirs om. Die teef is nog minder waard dan een hond.’
‘Wie zegt dat ik niet geloof?’ zegt Flora.
‘Tfoe! Laat me niet lachen,’ spuugt Driss. ‘Wat weet jij nou van religie af?’
‘Religie is een mooi verhaal dat al te vaak verkeerd verteld wordt,’ zegt Flora, maar Driss maalt niet om Flora’s wijsheid. De liftdeur schuift open en Driss grijpt zijn jongere zusje.
‘Ik breng mijn zus naar huis,’ zegt hij tot zijn vier vrienden. ‘Rekenen jullie met die kech af.’
‘Laat me los,’ roept Nawar. Ze stribbelt tegen, maar ze kan niet verhinderen dat haar broer haar de lift insleurt, terwijl zijn vrienden Flora vastgrijpen.

Zondag

‘Hoe voel je je?’ vraagt Nawar.
‘Ik voel me alsof ik overreden ben door een truck en elk botje in mijn lijf gebroken is.’
Een pomp begint te piepen naast het ziekenhuisbed. Een verpleger komt binnen om Flora’s infuus te vervangen.
‘Het spijt me van mijn broer en zijn vrienden,’ zegt Nawar.
‘Daar kan jij toch niets aan doen,’ zegt Flora.
‘Hij is maar een nachtje in het politiebureau moeten blijven. Mijn moeder heeft hem vanmorgen opgehaald. Ze heeft hem een bolwassing gegeven, maar ik weet niet of het tot hem is doorgedrongen.’
‘Je broer is gewoon een eikel.’
‘Hij is niet altijd zo geweest,’ zegt Nawar. ‘Hij kwam onder invloed van vrienden die volgens hem het “Ware Geloof” verkondigen. Sindsdien herken ik hem bijna niet meer.’
‘Nou, toen ik vanmorgen in de spiegel keek, herkende ik mezelf ook niet meer,’ zegt Flora om de sfeer wat luchtiger te maken.
Nawar schiet in de lach, maar voelt zich daar meteen schuldig om.
‘Ik zou daar niet mee mogen lachen,’ zegt ze.
‘Maar jawel,’ zegt Flora. ‘Ik zou pas erg gevonden hebben als je er je gevoel voor humor bij verloren was.’
‘En toch,’ zegt Nawar. ‘Het is niet leuk. Mijn moeder vindt het vreselijk wat mijn broer gedaan heeft, maar mijn vader zegt er geen woord over. Hij was blij toen zijn zoon plots zoveel interesse toonde voor het geloof. Daar hebben mijn vader en moeder vannacht flink ruzie over gemaakt.’
‘Wat kan ik daarop zeggen?’ zegt Flora die niet meteen nog een grapje uit haar mouw kan schudden.
‘Ik weet het ook niet,’ zegt Nawar.
Na een vervelende stilte vraagt Nawar uiteindelijk: ‘Hoelang denk je dat je in het ziekenhuis moet blijven?’
‘De dokters zeggen dat het twee tot drie weken kan duren voor ik terug naar huis mag.’
‘Ik kom je elke dag bezoeken!’ belooft Nawar.
‘Dat zou ik heel fijn vinden,’ antwoordt Flora.

Woensdag, twee en een halve week later

‘Hallo, hier zijn we!’ zegt Nawar vrolijk wanneer ze samen met Flora’s moeder de kamer binnenkomt. ‘Je mag eindelijk naar huis!’
‘Ik ben Chalina, de moeder van Flora,’ zegt Flora’s moeder tegen een nieuwe verpleegster die net het dienblad afruimt waar Flora’s middagmaal op geserveerd werd.
‘En ik ben Nawar,’ zegt Nawar. ‘Ik ben Flora’s beste vriendin.’
‘Komen jullie Flora halen?’ vraagt de verpleegster. ‘Ik zie dat jullie krukken meebrachten. Ik haal even het ontslagformulier en een rolstoel zodat jullie Flora naar buiten kunnen rijden.’
Na het afhandelen van de formaliteiten, duwt Nawar haar vriendin door de lange gangen van het ziekenhuis. Aan de uitgang stapt Flora onwennig uit de rolstoel. Ze steunt op haar krukken en samen wandelen ze voorzichtig naar de bushalte.
‘Er wacht je thuis een grote verrassing,’ zegt Nawar terwijl ze samen op de bus wachten.
‘Niet meteen alles verklappen, Nawar,’ zegt Chalina. ‘Anders is het geen verrassing meer.’
Gelukkig hoeven ze niet lang te wachten op de bus.
‘Je zult versteld staan,’ zegt Nawar wanneer ze opstappen.
‘Ik denk dat het best is als Flora aan het raam kan zitten,’ zegt Chalina.
‘Maar natuurlijk!’ zegt Nawar. ‘Dan kan ze alles goed zien.’
Flora snapt het geheimzinnige gedoe van haar moeder en haar vriendin niet, maar ze is blij dat ze eindelijk naar huis kan. Geen verrassing kan daaraan tippen, denkt ze, maar wanneer de bus haar buurt binnenrijdt, zet ze grote ogen op.
‘Wat is dat?’ vraagt ze vol verwondering.
De grote muur van de school is herschapen in een aards paradijs vol bloemen.
‘Dat is mijn ontwerp! En daar! Dat is ook een van mijn ontwerpen.’
Flora heeft ogen te kort om te zien hoe de buurt omgetoverd is in een bloemenfestijn.
‘Warda, Nawars moeder, is de dag nadat je in het ziekenhuis terechtkwam op bezoek gekomen,’ legt haar moeder uit. ‘Nawar had haar verteld over je map met ontwerpen voor muurbloemen. Warda vroeg of ik het een goed idee vond daar iets mee te doen.’
‘Mijn moeder en jouw moeder zijn naar het stadsbestuur geweest met de vraag of ze de buurt mochten opfleuren,’ zegt Nawar.
‘De stad vond het een leuk initiatief en stelde zelfs een budget ter beschikking voor materiaal,’ zegt Chalina, ‘De hele buurt heeft meegeholpen.’
‘Zelfs mijn vader heeft een handje toegestoken,’ zegt Nawar trots. ‘De ruzie met mijn moeder is bijgelegd.’
Terwijl de bus in lussen door de buurt rijdt, ontdekt Flora de ene muurschildering na de andere. Wat ooit de lelijkste wijk van de stad was, is nu een bezienswaardigheid.
‘Het is prachtig!’ zegt Flora wanneer ze hun halte bereiken.
‘Het is een wonder,’ zegt Nawar. ‘We hebben iedereen gevraagd niets op sociale media te posten tot je uit het ziekenhuis terug was. Het moest een echte verrassing worden.’
‘Ik ben sprakeloos,’ zegt Flora. ‘Ik geloof bijna mijn ogen niet.’
‘Maar er is nog meer! Mogen we nog wat verder rijden, mevrouw?’ vraagt Nawar.
‘Natuurlijk mag dat,’ zegt Chalina. ‘Stap drie haltes verder uit en neem dan gewoon de bus terug.’
Flora’s moeder stapt uit; de meisjes blijven nog even zitten.
‘Als dit een film was,’ zegt Nawar, ‘dan zagen we nu de actrices die onze rol spelen met de bus langs jouw muurbloemen rijden terwijl een commentaarstem zegt: “Flora vertrok op achttienjarige leeftijd naar Parijs om er kunst te gaan studeren. Daarna trok ze naar New York waar haar werk in de grootste galerijen werd tentoongesteld”’
Flora lacht en trekt meteen een grimas om een pijnscheut te verbijten: ‘Het leven is geen sprookjesfilm. In werkelijkheid zegt die stem waarschijnlijk: “Een paar jaar later zou Flora zich opnieuw op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. De dag na haar achttiende verjaardag kwam ze om bij een uit de hand gelopen confrontatie tussen de politie en een jeugdbende die haar buurt onveilig maakte.”’
‘Wat een donkere gedachte,’ klaagt Nawar. ‘Waarom zou mijn einde niet realistisch kunnen zijn?’
‘Omdat jouw einde zo goed als onmogelijk is voor meisjes zoals jij en ik.’
‘En toch vind ik dat we moeten blijven dromen!’ zegt Nawar.
‘Wat als die dromen niets meer dan bedrog blijken te zijn?’ vraagt Flora.
‘En wat dan nog?’ antwoordt Nawar. ‘Wat zijn we zonder onze dromen? Misschien bestaat de zin van het leven eruit dat we ernaar moeten streven het onmogelijke waar te maken.’
‘Of sterven terwijl we blijven proberen,’ vult Flora aan.
De woorden van haar vriendin hebben Flora’s donkere gedachten verdreven. Het kan misschien toch geen kwaad te blijven dromen, denkt ze. De toekomst zal uitwijzen welke commentaarstem het bij het rechte eind had, en of dit verhaal een sprookje blijft dan wel werkelijkheid wordt.